Al een aantal jaar volg ik zo’n beetje alles wat John Frusciante (inmiddels weer gestopt bij de Red Hot Chilli Peppers) uitspookt. Ik zou hem graag nog eens live zien, maar vooralsnog verkiest Frusciante eerder de afzondering, zo lijkt het. Ik stel me zo voor dat hij in zijn vast en zeker mooi gelegen villa ergens in de heuvels rondom LA alleen of met wat vrienden de hele dag loopt te jammen en zo af en toe nog eens de record-knop indrukt en wat opnames maakt van wat er nu weer uit z’n gitaar rolt.
In The Music Hall Of Williamsburg (NY) was ik laatst bij een optreden van de Canadese band Thee Silver Mt. Zion Memorial Orchestra. Een zgn. offshoot van Godspeed! You Black Emperor. Het was een goed optreden en zanger/gitarist/pianist Efrim Menuck troffen we in een uitgelaten, jolige stemming, met grapjes over het nabijgelegen park in het hippe Williamsburg dat hij bestempelde als een “outdoor American Apparel with a lot of Nazi-hairdo’s.” Toch kon ik tijdens het optreden het niet na laten steeds terug te denken aan de enige plaat die ik vaag kende van de groep: He Has Left Us Alone but Shafts of Light Sometimes Grace the Corner of Our Rooms… het debuutalbum (toen nog ‘gewoon’ onder de naam A Silver Mt. Zion) dat in mijn herinnering volledig instrumentaal was, blijkbaar irriteerde ik me nu aan de alom-aanwezige, wat zeurderige zangstem van Menuck. Neemt niet weg dat ik blij was herinnerd te worden aan dit eerste album, met blijkbaar toch niet alleen maar instrumentale nummers. Luister en ……. |. (<- knipperend balkje)
Still uit 'Dissonant' van Manon de Boer. Courtesy Jan Mot Galerie
Nooit zal ik mij kunnen ontdoen van de frustratie die ontstaat zodra ik midden in een time-based-art kunstwerk (meestal een film- of videowerk) stap en daardoor geen grip kan krijgen op de contextuele tijd-, plaats- en ruimtebepalingen van het werk. Zelfs als je ongeveer weet wat je te wachten staat, is het toch beter om de film van begin tot eind te zien en liefst ook de duur vooraf te weten, zodat je je tijd en aandacht weloverwogen kunt besteden.
Het alweer een tijd geleden dat ik in de Paradiso naar de Fleet Foxes ben geweest. Een onvergetelijke avond. Vooral het moment dat Robin Pecknold, leadzanger van de band, in zijn eentje voor aan het podium gaat staan en zonder versterking een lied begint te zingen de zaal in.
Laatst woonde ik een heel vreemd optreden bij, van de band Polvo. Hun geluid wordt vaak aangeduid als math rock, gitaarmuziek “gekarakteriseerd door complexe, a-typische ritmestructuren (zoals onregelmatige pauzes), hoekige melodieën en dissonante akkoorden”. Wat dat ook moge betekenen. Ik had hun laatste album In Prism een aantal keer geluisterd en ik kon er niet de vinger opleggen. Ik vond het mediocre en ongebalanceerd; luisterde er eigenlijk alleen naar omdat ik het niet begreep.
Just think of me as one you never figured. (Neil Young, ‘Powderfinger’)
Een tijd terug sprak ik met een Engelse curator die zo ondersteboven was van Neil Young’s (authorized) biografie door Jimmy McDonough: ‘Shakey’, dat hij het boek als verplichte kost wilde voorschrijven aan zijn studenten. Zo’n aanbeveling maakt natuurlijk nieuwsgierig, kleine kans dat ik anders ooit aan het boek was begonnen.
This is a poem about a horse that got tired.
Poor. Old. Tired. Horse.
I want to go home.
I want you to go home.
This ispoem which tells the story,
which is the story
I don’t know.
(‘Please’, from the book A Form of Women, 1959, Robert Creeley – Link)
De tentoonstelling ‘Poor. Old. Tired. Horse.’ is een vrij droge, analytische, maar mooie tentoonstelling die deze zomer in het ICA in Londen te zien is. De tentoonstelling schetst een geschiedenis van kunstenaars die zich lieten beïnvloeden door (of onderdeel uitmaakte van) de ‘Concrete poetry’-movement. Concrete poëzie is een genre binnen de literatuur dat ontstond in de jaren ’60 waarbij de visuele manifestatie van de woorden even belangrijk is in het overbrengen van de boodschap als de tekst zelf. De invloeden gaan terug naar de Franse schrijver Guillaume Apollinaire en de Dada-isten. Lees de rest van dit bericht »
Ik ben sinds 12 minuten groot fan van het werk van Ray Tintori (New York, 1984). Vóórdat deze magische 12 minuten me overrompelden was ik zonder dat ik het wist al fan van deze regisseur. Zijn psychedelische videoclips voor MGMT (“Time to Pretend” en “Electric Feel” maar ook de laatste clip van The Killers werd geregisseerd door Tintori) brachten bij mij een ware WTF reactie teweeg. Het plaatste de muziek van de electropop band uit New York in een visuele setting precies passend bij de nummers. Het beeld is heerlijk kinderlijk maar toch effectief in het overbrengen van exact de juiste sfeer. Dat klinkt misschien logisch, maar sfeer overbrengen in een door jou bedachte wereld waar alles anders of bizar is zonder dat het aanvoelt als anders of bizar is best moeilijk. Hij bereikt dit door een esthetiek die uniek aanvoelt.
Een paar jaar geleden kreeg ik van een vriend een gebrand cd’tje. “Unsolved”, stond er met viltstift opgeschreven. Er was geen hoesje. Zonder ook maar iets over de makers of de nummers te weten, werd dit album bijna onmiddellijk een van mijn dierbaarste cd’s. De muziek was een mengsel van indie en jazz, dat zonder enige effecten – bijna schraal – was opgenomen. Het markantst waren zang en gitaarspel: cryptische flarden die voor een man in een net te hoog register werden geroepen en ongelooflijk behendige, maar niet dik aangezette solo’s.
De tentoonstelling en publicatie ‘Blaka Watra Spiders (Me & You on a Golden Avenue)’ van Saskia Janssen houdt het midden tussen een documentair project en wat men ook wel participatie-kunst noemt. Die laatste noemer is een lelijk woord, voor wat iets heel moois kan opleveren. Het project van Saskia Janssen is een verslag van haar ontmoetingen in gebruikersruimte Blaka Watra in Amsterdam.
Hydra, 1960. In het midden Leonard Cohen en daar tegenover Marianne Ihlen. (Foto: LIFE Magazine)
Vanuit Athene is het ongeveer 2 uur varen naar Hydra, een idyllisch eilandje met hoefvormige haven, dat in de zomer veel toeristen trekt vanwege de mooie ligging en authentieke staat van het havenstadje. Auto’s zijn hier verboden en alles gebeurd met karren en pakezeltjes. Als we lichtelijk zeeziek aankomen met onze snelle, felrode, door Vodafone gesponsorde, ‘Flying Cat’-boot, staan de pakezeltjes aan de kade al klaar om allerhande bouwmaterialen de heuvels op te torsen.
Zojuist in Paradiso: Animal Collective. Hypnotiserende nummers die vaak wat hakkelend beginnen, alsof de auto niet wil starten, en dan laag voor laag (met korte loops en bezwerende zanglijnen) worden opgebouwd tot uiteindelijk, die onontkoombare apotheose.
Vandaag een dagje met mijn broer; praten over films, uitwisselen van muziek en tot slot het bezichtigen van een tentoonstelling. Hij wees me op dit filmpje van Thom Yorke. Ik stond perplex. Ik begrijp niet hoe iemand zo zijn lichaam en stem kan coördineren en alles tegelijk kan bedienen.
Bij de tentoonstelling van Richard Avedon liep ik wat ongeduldig door de eerste zalen, ik was op zoek naar de bekende indringende portretten van mensen voor een witte achtergrond. In de laatste twee zalen vond ik ze. Oog in oog stonden we met een haarscherpe, levensgrote Beckett, Francis Bacon, William Burroughs en Willem de Kooning. Nooit eerder had ik deze schrijvers / kunstenaars van zo dichtbij kunnen bekijken. Lees de rest van dit bericht »
“The Empyrean is a story that has no action in the physical world. It all takes place in one persons mind throughout his life. The only other character is someone who does not live in the physical world but is inside it, in the sense that he exists in people’s minds. The mind is the only place that anything can be truly said to exist. The outside world is only known to us as it appears within us by the testament of our senses. The imagination is the most real world that we know because we each know it first hand. Seeing our ideas take form is like being able to see the sun come into being. We have no equivalent to the purity of that in our account of the outside world. The outer world appears to each of us as one thing and it is always also a multitude of others. Inside to outside and outside to inside are neverending. Trying and giving up are a form of breathing.”
“The Empyrean is my new record and will be released worldwide via Record Collection on January 20th 2009. It was recorded on and off between December 2006 and March 2008. It is a concept record that tells a single story both musically and lyrically. The story takes place within one person, and there are two characters. It contains a version of Tim Buckley’s, ‘Song To The Siren’ and the rest of the songs are written by me. My friend Josh plays on it, as does Flea. It also features Sonus Quartet, Johnny Marr and The New Dimension Singers. I’m really happy with it and I’ve listened to it a lot for the psychedelic experience it provides. It should be played as loud as possible and it is suited to dark living rooms late at night”
De band Low trad gisteren op in een kerk in Eindhoven. Speciaal voor het kunst- en muziekfestival Heartland waren ze overgevlogen uit Minnesota en gingen vergezeld van een koor, een toetsenist en twee percussionisten. Een unieke ervaring.