Bas van den Hurk – ‘Met lege handen’
Geplaatst: 9 april 2009 | Auteur: Marijn | Categorie: interview, schilderkunst, tentoonstelling, theorie | Tags: Bas van den Hurk, Frank Vande Veire, Michel Foucault, Tilburg | 4 reacties »In Tilburg kom ik wat argwanend de galerie ruimte binnen, mezelf afvragend: zit ik wel goed? Toch wel. De eerste schilderijen voldoen aan wat ik zo ongeveer verwacht. Vanuit een andere ruimte hoor ik wat gestommel en al snel staat daar de kordate galeriehoudster voor me. “Ken je Bas?” is haar onverwachte vraag, ik stamel wat, over dat ik nog les van hem heb gehad, op het St. Joost.
“Ja, daar krijgen we er hier veel van, ik zal even een tekst voor je printen” zegt ze en ze is weer verdwenen.
Langzaam neem ik de ruimte in me op. Achterin staat een tafel, waar ik langzaam op af loop, ondertussen kijk ik van grote afstand naar de kleurige, maar kleine schilderijen. Soms zijn halskettingen, een lap stof, of een riem met glimmende pailletjes onder aan een schilderij bevestigd. Hoewel het geheel als installatie samenhangend overkomt, is ieder schilderij los een ervaring op zich.
Er hangen een soort van ‘bijna’-monochromen, soms opgebouwd uit transparante lagen verf, soms slechts een onbeschilderde lap gekleurde stof. En dan zijn er schilderijen waarin op onbestemde plekken gekleurde verf is achtergebleven. Er zijn voorzichtige streekjes gezet, er is wat gedraaid met de kwast, wat gesmeerd met een vinger, er is rechtstreeks vanuit de tube gewerkt en dit alles op zo’n manier gecomponeerd, dat je niets anders kunt concluderen dat het blijkbaar zo moet zijn, terwijl het ook wringt, het wordt nergens concreet en nergens alleen maar esthetisch. “Een open moment waarop de toeschouwer met lege handen staat en op zichzelf wordt teruggeworpen.” lees ik in de aangereikte tekst en dat ‘lege handen-gevoel’ is er eigenlijk nog steeds wanneer ik de galerie uit wandel. Tilburg is niet groot en nadat ik eerst al Koen Delaere langs zag fietsen, kom ik even later ook Bas van den Hurk zelf op de fiets tegen. Ik spreek af dat ik hem wat vragen zal mailen, over de tentoonstelling.
Thuis herinner ik me een werk van Bas (als student ben je altijd nieuwsgierig naar het werk van je docenten) dat hij kado deed aan een vertrekkend collega. De precieze details van het werk weet ik niet meer, maar het leek erop alsof er een vel papier, enkele jaren onder een kast geplaatst was, in een huis met jonge kinderen, en dat alle stof, draadjes en kraaltjes die onder de kast verdwenen waren, op de precieze plek op het vel vastgeplakt waren. Een ‘random’ compositie. Toen natuurlijk hoogst intrigerend werk, voor ons als ‘jonge honden’.
De uitgebreide antwoorden die Bas me stuurden, lezen dan ook als een persoonlijke aanvulling op zijn theorie-lessen aan de academie. Het behandelt de moderne kunstfilosofische vragen die (nog steeds) spelen en aan de oorsprong staan van het werk van Bas van den Hurk.
Vraag 1
Heel sterk aan de tentoonstelling vond ik hoe je combinaties met de afzonderlijke schilderijen hebt gemaakt. Als een soort regels (boven uitgelijnd), gaan ze vooral met elkaar een spel aan. Sommige werken (bv. de ‘ready-made-achtige’ werken waarbij ‘slechts’ een lap stof om een spieraam is gespannen) zullen hun kracht verliezen als we ze helemaal los zouden zien. Naar mijn mening is dat juist heel krachtig, om die ‘context’-bepaaldheid in te zetten, omdat je uiteindelijk ook de ruimte om de schilderijen heen gaat bestuderen en in je opnemen. Je schrijft: “Deze combinaties roepen vragen op over de mogelijkheid en betekenis van de schilderkunst in het algemeen en over de rol daarin van het enkele schilderij”. Het lijkt me dat je die vraag voor jezelf deels kan beantwoorden: Hoe beschouw je een afzonderlijk schilderij binnen de context van je oeuvre/serie schilderijen?
De vraag naar de rol van het afzonderlijke schilderij is eigenlijk alleen te beantwoorden vanuit een groter geheel van vragen, allen gericht op de vraag naar de autonomie van het subject, zoals die gereflecteerd wordt in de rol van de ‘waarheid’ in de kunst. Ik zal proberen er iets over te zeggen waarbij ik soms gebruik maak van formuleringen uit de inleiding van ‘Als in een Donkere Spiegel, de kunst in de moderne filosofie’ van Frank Vande Veire.
In mijn werk vertrek ik niet vanuit een kunsthistorisch maar meer vanuit een kunstfilosofische vraag. Kunstgeschiedenis opereert binnen een afgebakend domein van objecten. Het verondersteld – zonder dat te bevragen – dat het ‘weet’ wat kunst is. Filosofie probeert juist te bevragen en te verhelderen wat dit gebied, dit domein is. Centraal staat daar dan ook steeds de vraag: wat is kunst? Wat is het dat men ‘kunst’ noemt? (En het is eerder zo dat die vraag te weinig gesteld wordt als teveel, hoewel we dat laatste natuurlijk maar al te vaak horen.) Alles draait hierin om het aloude probleem van de autonomie. Hoe autonoom is het subject? Ik wil in mijn werk deze vraag steeds opnieuw stellen. En wel in al zijn complexiteit; daartoe bevraag ik zowel het enkele beeld, de onderlinge relatie als de relatie naar de ruimte en de context. Kunst is sinds twee eeuwen reflectief van aard, dat wil zeggen dat het terwijl het ontstaat tegelijk zichzelf in een reflexieve beweging bevraagd. Ik wil een systematische en geduldige bezinning op dit problematische terrein. Kunst van deze vraag te willen ontdoen is in mijn ogen reactionair, fundamentalistisch denken. Eigen aan het omgaan met deze vraag is dat de filosofie weinig of geen positieve kennis over de kunst aanbrengt – dit in tegenstelling tot de kunstgeschiedenis. Sommigen zullen daarom bij mijn werk vragen stellen over een enkel beeld - zoals jij stelt dat een opgespannen lap stof zijn kracht als enkelvoudig beeld zal verliezen – , anderen zullen vragen stellen over de combinatie of de context. Hoe dan ook is er weinig positieve duiding aan te brengen en speelt het vragen zich af tegen een achtergrond van crisis. Maar dat is ook precies wat ik er interessant aan vind. Wat is kunst? Wat is een schilderij? Wat is de voorstelling? Hoe kunnen we daarmee nog werken? Die vragen in combinatie met het feit dat er filosofisch eigenlijk geen antwoorden zijn.
Om dit duidelijker te krijgen zal ik nog verder in gaan op het onderscheid tussen kunstgeschiedenis en kunstfilosofie. Kunsthistorisch wordt het soort vragen naar wat kunst is vaak afgedaan met dat wat men de institutionele definitie van kunst noemt: kunst is dat wat door de vertegenwoordigers van het kunstmilieu als kunst wordt aangewezen. Dit is een manier om de neutraliteit van de kunstwetenschap veilig te stellen. Men beschrijft niet, men wijst aan. De vraag naar wat kunst nu eigenlijk is wordt dan als een filosofisch, essentialistisch schijnprobleem aangewezen. Hiermee sluit men zich echter van de kunst af, omdat kunst sinds anderhalve eeuw dit debat zelf oproept. Kunst brengt telkens weer zelf de consensus, het collectieve begrip in het geding. Met elk kunstwerk staat de kunst opnieuw op het spel. Dit is de moderne conditie van de kunst. De aanvang van dit probleem ligt in het denken van Kant over kunst. Zijn vraag naar de autonomie ervan, het belangeloos welbehagen, vormt nog steeds een drijfveer om op te reflecteren, zonder dat dit tot hele concrete antwoorden leidt.
Kunsthistorisch is de mens ook vaak opgenomen in een groot humanistisch verhaal waarbij die mens een steeds helderder bewustzijn van zichzelf krijgt en dus tot een steeds groter zelfbewustzijn komt. Maar filosofisch zou men kunnen vragen: behoudt de spiegel waarin de mens zichzelf ziet niet altijd iets duisters? En gaat kunst niet juist over het uitdiepen van deze onophefbare vreemdheid in dat wat zo gekend lijkt? Kunsthistorisch heeft een werk tenslotte enkel betekenis binnen de historische context waarbinnen het gemaakt en oorspronkelijk begrepen en ervaren werd. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat er een in zichzelf besloten context is waarin het kunstwerk vast verankerd zou zijn. Dit verondersteld kennis van deze context en omkadering ervan en daarbij ook de betekenis die kunst had in een bepaald tijdperk. Dit relativisme is een objectivisme. Maar filosofisch zou men kunnen vragen of de relativist zich niet afsluit van het appèl dat het kunstwerk hier en nu op hem doet?
Het grondprobleem kortom van de kunstgeschiedenis is eenvoudigweg dat zij zowel op formeel als op inhoudelijk vlak enkel kennis aanbrengt. Niettemin weet iedereen dat het appèl dat van het kunstwerk uitgaat zich nooit afspeelt op een louter cognitief niveau. Tegenover de ervaring van het kunstwerk blijft het geheel van wetenswaardigheden dat de kunstgeschiedenis aanbrengt, dan ook abstract.
Maar wat mijn kunst dan wel is is – zoals gezegd – heel moeilijk te duiden. De moderne kunstfilosofie gaat gebukt onder een dubbele erfenis. Eerst en vooral is er Plato’s negatieve beoordeling van de kunst. De kunst produceert slechts een substantieloze schijn waarvan niet alleen de ontologische waarde maar ook het praktische nut nihil is. Een zekere minachting kenmerkt dan ook vanaf het begin het denken over kunst. De tweede erfenis die op de moderne kunstfilosofie drukt is haar naam: ‘esthetica’. Dit komt van ‘aesthesis’, dit is: van de zintuigelijke gewaarwordingen en affecten. Deze esthetica staat van meet af aan niet zo sterk in haar schoenen. Zij wordt van twee kanten bedreigd. De ene bedreiging komt uit de rationalistische hoek: de redelijkheid, de eigen rationaliteit die ligt in het schone vindt niet haar rechtvaardiging in zichzelf, zij is een voorafschaduwing van een meer volmaakte, vergeestelijkte vorm van redelijkheid. De esthetica een soort prothese waarvan de hogere rede zich bedient om in het moerassige gebied van het zintuiglijke af te dalen met de bedoeling het in cultuur te brengen. De andere bedreiging komt uit de empirische hoek en maakt kunst louter tot een zaak van het subjectieve gevoel. Hierdoor vervalt zij in relativisme.
De esthetica weifelt tot Kant tussen het metafysische en het sensitieve en het is aan hem om hierin op subtiele en evenwichtige wijze klaarheid te brengen. Voor Kant behoort kunst weliswaar tot het esthetische domein waarin men geniet van een puur vormenspel maar dit vormenspel verwijst symbolisch naar een dieperliggende waarheid die voor het verstandelijke denken onbereikbaar blijft.
Hoe dit probleem van de waarheid te begrijpen? In het moderne denken over kunst is dit probleem van de waarheid nooit ver weg. Het begrip ‘waarheid’ – nu eens een keer niet gedacht als een zaak van de wetenschap of de historie maar gesteld als kunstfilosofische vraag - wordt grondig omgewoeld. Anders gezegd: met de kunst staat de waarheid, of beter: de waarheid over de waarheid op het spel. En aangezien het wezen van de waarheid toch wel de zaak bij uistek van de filosofie is, staat met de kunst de filosofie zelf op het spel. Dit houdt meteen in dat de kunst voor de moderne filosofie nooit zomaar een studieobject is geweest. Haar vraag is niet zozeer: hoe breng ik mijn object zo adequaat mogelijk in kaart?, maar: is mijn verhouding tot het ‘object’ wel van dien aard dat ik haar ‘adequaat’ ‘in beeld zou kunnen brengen’? Wat houdt het in dat ik over dit object, in casu kunst, waarheid produceer? Anders gezegd: filosofie is altijd reflexief. Zij kan niet op haar object afgaan zonder tegelijk over die beweging te reflecteren. De filosofie komt misschien enkel te weten wat waarheid is, en dus wat filosofie is, in de mate waarin zij zich met kunst inlaat, zich door de kunst laat aanspreken. En dit heeft grote consequenties. De filosofie kan geen waarheid spreken over kunst zonder dat die waarheid zelf een artistiek karakter krijgt. Telkens wanneer er anders gedacht werd over kunst, hield dit in dat er anders gedacht werd over waarheid en vooral: over de verhouding van de mens tot de waarheid. In elk geval neemt de moderne kunstfilosofie een aanvang wanneer over waarheid niet langer gedacht wordt in termen van representatie, imitatie, afbeelding. Bij de Romantici zien waarheid als iets dat geproduceerd wordt, Heidegger als iets dat de mens wordt toebedeeld, Benjamin als een inslag waar de mens niets mee aan kan vangen.
Wat een filosofisch denken over kunst groot maakt is dat het radicaal doordenkt over wat er met de mens aan de hand is dat er zoiets als ‘kunst’ bestaat, over hoe het komt dat de mens plaats blijft maken voor een fenomeen waarvan de betekenis steeds minder vanzelfsprekend lijkt te zijn geworden. In mijn werk probeer ik deze vraag steeds te stellen, niet te beantwoorden, door zo radicaal mogelijk binnen bovengenoemde kaders te opereren. En zowel het enkele schilderij, de samenhang en de context te problematiseren (zie over manier van werken ook het antwoord op vraag 3).
Vraag 2
In de begeleinde tekst, wordt ook veel gesproken over de relatie van het werk met ‘de voorstelling’, er staat bijvoorbeeld: “In zijn werk laat Van den Hurk de voorstelling als voorstelling zien, niet door het ‘wat’ van de voorstelling te tonen, maar door te tonen ‘dat’ er voorstellingen zijn.” Ik vind dat een mooie, maar beetje onmogelijke zin. Bedoel je dat je het punt probeert te zoeken, naar waar het schilderij een voorstelling wordt of ophoudt voorstelling te zijn? Iets te ondernemen om toch een zo leeg mogelijk beeld te maken?
Het gaat hier om een idee uit een tekst van Frank Vande Veire getiteld ‘Als comateuze patiënten, de kunst in een gemediatiseerde wereld’. In deze tekst houdt Vande Veire zich bezig met de vraag hoe beelden functioneren in een met beelden overladen mediatijd. Hoewel ik de hele tekst heel goed en belangrijk vind gaat het hierbij vooral om het begin en het eind van de tekst. Daarin reflecteert Vande Veire op het idee van de voorstelling.
Ik zal de tekst hier weergeven vanuit mijn perspectief: kunst lijkt vandaag de dag doordrongen door wat Paul de Man de esthetische ideologie noemt. Dat wil zeggen een ideologie waarbij er vanuit gegaan wordt dat kunst ons op een meer oorspronkelijke, authentieke, directe, doorleefde, onmiddellijk voelbare manier wordt gevat, ( terwijl het denken de werkelijkheid steeds benadert via begrippen, schema’s en theorieën). De artistieke voorstelling als beeld zou dan als het ware spontaan oprijzen uit de ‘oergrond’ van het spontane, of er met veel moeite aan zijn onttrokken. De gedachte waarmee Vande Veire deze schijnbare vanzelfsprekendheid onderuit wil halen is de volgende: kunst betreft steeds de voorstelling van de wereld. Dat kan een open deur lijken, maar is de essentie van het betoog. Het gaat erom dat kunst het niet zo makkelijk te bevatten gegeven serieus neemt dat we altijd al voorstellingen hebben van de wereld, dat we geboren worden, of meer Heideggeriaans geformuleerd, altijd al ‘geworpen’ zijn in een reeds voorgestelde wereld. De mens is dus niet de uitvinder van die voorstellingen na eerst onderzocht te hebben hoe het met de wereld staat, nee, de mens wordt zichzelf pas gewaar, heeft slechts een ervaring van de wereld vanuit voorstellingen. Dat de voorstellingen hun oorsprong niet hebben in de mens en dus uitwendig aan hem zijn, neemt niet weg dat de mens aan die voorstellingen vasthangt, dat hij eraan gehecht is als aan zichzelf. Kortom: het moeilijk te denken oergegeven is dat de mens niet slechts voorstellingen heeft, maar zijn voorstellingen is.
Dit betekent niet dat de mens ooit met zijn voorstellingen samenvalt. Integendeel, als de mens zich aan een voorstelling hecht is dan is dat steeds bij gebrek aan een voorstelling waarmee hij zich geheel zou kunnen identificeren. De uitspraak dat kunst ‘de voorstelling betreft’ zou nu duidelijker moeten zijn geworden. Ze impliceert niet zomaar dat kunst de realiteit voorstelt, en evenmin houdt ze in dat kunst, als ze – zoals veel moderne kunst – de voorstelling abstraheert, verminkt, contextualiseert etc daarmee zou peilen naar een realiteit ‘achter’ de voorstelling, naar de ultieme betekenis, zin of oorsprong ervan. De kunst tast eerder naar de realiteit van de voorstelling. Vandaar dat er aan alle kunst onvermijdelijk een soort ‘formalisme’ kleeft. De kunst toont de voorstelling als voorstelling. Zij toont hoe de voorstelling ‘plaatsgrijpt’. Niet als iets dat onze identiteit bevestigt, maar als iets blijvends vreemds waaraan wij zijn blootgesteld. Kunst houdt zich bezig met het geweld van dit gebeuren. Dit verklaard de moeilijkheid van de moderne kunst: de voorstelling kan niets laten gebeuren zonder ook op het ongegronde van dit gebeuren zelf van dat verschijnen te reflecteren. (Iets dat overigens tot de meest extreme ontkenningen heeft geleid – zie bijvoorbeeld de hele discussie op Whatspace naar aanleiding van de door Marc Bijl gewonnen Wolvecampprijs 2008. Link Een duidelijk voorbeeld volgens mij van iemand die schilderkunst inzet als een ‘communicatiemiddel’; in Bijls geval om een soort streetwise activisme te laten zien dat schuilgaat ‘achter’ deze schilderijen).
Daarna beschrijft Vande Veire hoe dit besef misschien pas echt tot ons heeft kunnen komen in ons media- of informatietijdperk. Omdat, zo stelt hij, alles daarin in een ‘format’ tot ons komt. Ieder beeld wordt zodanig voor ons bewerkt en verwerkt dat het direct te begrijpen en bevatten is, terwijl dat niet het geval is. In tegendeel. Denk aan het 8 uur journaal waarin de meest gruwelijke beelden ons onder het genot van een kopje koffie en ingeklemd tussen weerbericht en ander nieuws worden voorgeschoteld. Dit laat ons ‘meevoelen’ en ‘meelijden’ zonder dat echt te doen. Daarvoor zorgt het beeldformat. Kunstenaars doen hier – aldus Vande Veire – veelal ook aan mee, ook zij worden creatieve beeldverwerkers, gebruiken kunst als ‘communicatiemiddel’. Het punt is dat niet-bevatten daarin geen kans meer krijgt. Ieder beeld moet direct begrepen en verwerkt kunnen worden.
Nu heeft iedereen de illusie dat hij/zij kritisch ten opzichte van deze mediabeelden staat, inzicht heeft in de kunstmatigheid ervan; en dat de beelden hem/haar daardoor niet wezenlijk raken. Dat is volgens Vande Veire wel degelijk een illusie. Iedereen die denkt dat hij/zij naar believen beelden kan selecteren, combineren, analyseren, kritisch doorlichten of wat dan ook, onderschat dat deze beelden hem/haar op een ander niveau te vlug af zijn. De taak van de kunstenaar nu is om deze fascinatie wel ernstig te nemen.
Kunst moet zich daartoe identificeren met het medium waarin het zich uitdrukt zelf, dat wil zeggen met het mechanisme van de voorstellingsproductie. Dan stelt de voorstelling even niets meer voor, wordt ze opaak en onthult zich juist hierdoor als het restant van een blinde getroffenheid, een onmogelijke ontvankelijkheid. Dat wil zeggen: de media maken het onherkenbare herkenbaar, het specifieke algemeen begrijpelijk, het ondraaglijke draaglijk, ze maken het onvoorstelbare voorstelbaar. De kunst maakt eerder het voorstelbare onvoorstelbaar. Maar het onvoorstelbare is niet iets ‘achter’ de voorstelling – zoals de esthetische ideologie ons voorspiegelt – maar onvoorstelbaar is de voorstelling zelf, onvoorstelbaar is dat er voorstellingen zijn. De kunst laat zich in met dit dat van de voorstelling en bezit juist daardoor een component van onherkenbaarheid en vreemdheid. De kunst kan de impasse, de traumatiserende (on) ontvankelijkheid slechts cultiveren waarvan ieder medium een symptoom is. Hierdoor zal ze onvermijdelijk altijd door de grote meerderheid als ‘nihilistisch’, ‘formalistisch’, ‘cerebraal’, ‘ziekelijk’, of gewoon als nietszeggend worden afgedaan.
Er is een kloof tussen ervaring en voorstelling: tussen ons voor onszelf ongrijpbare gegrepen-zijn en de verbeeldings- en verhaalmachine waarmee we altijd meteen alles weten te (be)grijpen. De media slaan die kloof slechts om die meteen weer te dichten, en dat is wat de kunst nu net niet moet doen, bijvoorbeeld door het cultiveren van de emotie en empathie. De kunst moet deze kloof open houden. Een niet te dichten afgrond slaan tussen beeld en beschouwer. En dat is mijn streven, een souverein, een – zoals dat nog steeds zo mooi heet – ‘zo autonoom mogelijk beeld’ maken.
Vraag 3
Wat ik ‘mooi’ vindt in de werken is dat (uiteindelijk) iedere orde ontbreekt, hoewel je ook voelt dat iedere vlek, ieder glimmend stickertje of lapje stof, iedere verfstreek op een bepaalde manier toch ook heel bewust op de betreffende plek is aangebracht, het komt ‘losjes’ maar niet ‘toevallig’ over. Je zou misschien kunnen zeggen dat het werk zoekt naar de grenzen van ‘vrijblijvendheid’. Kun je uitleggen hoe je aan zo’n schilderij werkt en of er een soort grenzen bestaan waarbinnen je wilt werken?
Het gaat volgens mij in alle goede kunst om een verhouding tussen vrijheid en vrijblijvendheid.
Ongeveer 15 jaar geleden las ik in een vrij manische bui heel vroeg in de ochtend na een doorwaakte nacht het voorwoord van De Woorden en de Dingen van Michel Foucault. Je kent het misschien omdat ik het vrijwel altijd in een of andere les gebruik. In dit voorwoord citeert Foucault een tekst van Jorge Louis Borges, een Zuid-Amerikaanse schrijver die veel over imaginaire bibliotheken en labyrinten schrijft, en als personage voorkomt in de Naam van de Roos van Umberto Eco. Borges schrijft een tekst waarin hij ‘een zekere chinese encyclopedie’ aanhaalt. Daarin staat geschreven dat “de dieren kunnen worden verdeeld in: a) die de keizer toebehoren, b) gebalsemde, c) tamme, d) speenvarkens, e) sirenen, f) fabeldieren, g) loslopende honden, h) die in deze indeling voorkomen, i) die in het rond slaan als gekken, j) ontelbare, k) die met een fijn, kameelharen penseeltje getekend zijn, l) et caetera, m) die juist een kruik gebroken hebben, n) die uit de verte op vliegen lijken.” Dit liet me onbedaarlijk lachen zegt Foucault, maar het was een lach die alles, waar het denken – namelijk óns denken zoals dat bij onze tijd en bij ons aardrijkskundig besef behoort – dooreenschudt; want het is een lach die alle geordende oppervlakken en alle schema’s die voor ons het gewemel der levende wezens tot rust brengen; en ons duizend jaar oude omgaan met de begrippen het Zelfde en het Andere voor langere tijd aan het wankelen brengt en verontrust. En dat kon ik volledig beamen. Ik was euforisch en totaal ontdaan tegelijk. Als dit een orde van de wereld kan zijn – en dat is het – dan kan alles dat zijn, besefte ik. Een wonderbaarlijke gedachte: het kan alles zijn, maar is toch een orde.
En zo werk ik ook. Ik weet dat er een orde is, maar ik doe tijdens het werk alles intuïtief. Ik werk aan diverse werken tegelijk, en laat die vaak heel lang liggen. Steeds opnieuw kijk ik er naar, hang ze bij elkaar, laat ze in een bepaalde staat liggen, werk er op verder etc. Tot ik een beeld accepteer. Omdat het past in de orde, maar dan een orde zoals bij Foucault die geen enkele samenhang lijkt te suggereren. Mijn gegeven orde is de schilderkunst. Een kunst in crisis. Het shock-effect van de avant-gardes is daarin sinds 20 jaar uitgewerkt. Daarom werk ik zoals mijn tekst ook zegt op een punt waar de kunst op sterven na dood is, waar ze zich ondanks zichzelf steeds weer vanuit een al bijna-niet meer zijn terughaalt naar een er nog net-wel zijn. Soms is dat moeilijk omdat mijn natuur wel eens anders, enthousiaster, is. Ik verkeer tijdens het werken in een permanente staat van twijfel. Weet niet of iets iets waard is, of het noodzakelijk is, of het zoals je zegt ‘vrijblijvend’ is. Ik wil in een wereld waarin alles bepaald lijkt, zelfs de ontvangst van beelden, ook beelden in de kunst, een ruimte openhouden, een lege plek, en die heeft voor mij te maken met vrijheid. In een wereld waarin alles in een format verschijnt probeer ik een orde te hanteren die die orde tegelijk zichtbaar maakt en bevraagd. Een format die het licht ervan op zichzelf terugplooit. Waardoor een beeld even opaak wordt en voorstelling en beschouwing ervan tegelijk ervaren worden. Ik hoop zo een cesuur in de toeschouwer te openen, een moment van reflectie waarop de toeschouwer met lege handen komt te staan; een moment waarop de bechouwer een klassieke orde ervaart – ( een encyclopedie van de schilderkunst bedenk ik me) – maar die tegelijk die orde dooreenschudt in de lach die het opwekt.
Een dergelijke cesuur van ‘met lege handen staan’ is een moment van onontvankelijkheid dat behoort tot elke reële ontvankelijkheid. Een moment van onontvankelijkheid dat opduikt vanuit een leegte, dat fascineert, dat geen begrip of empathie kent, dat je bestookt, aanstaart, dat niet communiceert, maar je wezenloos getroffen achterlaat. Dat is het moment waar ik naar streef en wat ik tegen wil komen in het atelier als ik werk.
In de tekst is gebruik gemaakt van onderstaande bronnen:
‘Als in een Donkere Spiegel, de kunst in de moderne filosofie’ – Frank vande Veire
‘Neem en Eet, dit is je Lichaam’ - Frank Vande Veire
‘The Order of Things’ – Michel Foucault
Dan nog een laatste vraag, wellicht wat meer praktisch te beantwoorden. Namelijk de keuze om halskettingen, riemen, snoeppapiertjes en ander glimmend spul toe te voegen aan de werken… zonder dat verder helemaal ‘plat’ te verklaren, kun je er mischien toch iets over zeggen…
Het gebruik van de vreemde elementen in het werk heeft een aantal verschillende invalshoeken.
Ik gebruik de elementen in ieder geval ook om nogmaals - zoals in eerdere antwoorden gememoreerd – het schilderen te bevragen. Zijn het nu collages? zijn het schilderijen met een vreemd element erin? Gaat het uberhaupt over schilderen?
De elementen zelf zijn tweeledig. Enerzijds is het kleur. Zoals bijvoorbeeld in de snoeppapiertjes. Daarin sluit het bijna aan op het schilderen, – ook in de vorm gebruik ik daarin meestal afmore vormen die refereren aan de schilderstoets – , anderszijds zijn het harde concrete dingen zoals riemen of kettingen, – daarbij botst het meer op het schilderen. In beiden zoek ik echter naar een element dat niet te duiden is naar een bepaalde tijd. Dus niet een hele erge jaren ‘80 ketting bijvoorbeeld. Zodat ze iets archetypisch houden – ‘vreemde elementen’.
Ik vind het daarbij mooi dat die elementen het werk van een andere laag voorzien. Dat kan humoristisch zijn, of decoratief (anderen zien er ook vaak persoonlijke verwijzingen in, maar dat heb ik zelf minder: – het zijn bijvoorbeeld geen spullen die ik eerst thuis had en daarna in het werk gebruik, ik ga er juist heel specifiek naar op zoek.) Maar de verwijzing kan ook kunsthistorisch zijn, zoals naar het exotische dat begint bij de kubisten en daarna vooral de dadaisten: Kurt Schwitters etc.
Samen met Koen Delaere en Olivier Nijs is Bas van den Hurk een van de iniatiefnemers van Whatspace. Zie ook: http://www.whatspace.nl/what.html












hi P, M, N, W & G
fijne blog maken jullie.
ik en marcus zijn volgende anderhalve maand bij de gudmunssons in xiamen en we missen zo de prix de rome en de stedelijke aankopen tentoonstellingen.
ik ben wel nieuwschierig naar dezen dus mocht een van jullie willen recenseren dan zou ik dat heel fijn vinden!
groetjes sema
Okee, we gaan kijken of iemand de urge heeft om er iets over te zeggen. Vast wel.
Kun jij dan in ruil een bijdrage schrijven over Xiamen? Dat zouden wij heel leuk vinden…
gaaf werk!
Mooi interview op Lost Painters:
http://www.lost-painters.nl/estafette-interview-1-bas-van-den-hurk/2010/06/27/