Parameters van een prijs
Geplaatst: 14 januari 2010 | Auteur: Nickel | Categorie: boeken, ontwerp | Tags: Anne Holtrop, Brussel, ERG, Fernand Baudin Prijs, HAP, Korczak & Vereecken, kunstenaarsboeken, Manuela Dechamps Otamendi, Open Source Publishing, salutpublic | Geen reacties »De boekschouwing van de Fernand Baudin Prijs voor de mooiste Brusselse en Waalse boeken vond plaats in een ontruimd lokaal in de ERG, École de recherche graphique, in Brussel. De binnenkant van dat gebouw is haast verstopt; van de straat heb je geen vermoeden van het kronkelige interieur. Pas toen we het trapje op liepen begonnen we iets van de diepte van het gebouw te vermoeden. Op de gang waren studenten bezig de resultaten van een ontwerpopdracht op de muur te bevestigen. Ze schenen zich niet bewust te zijn van het groepje juryleden dat hen passeerde en achter een dichte deur verdween: ne pas déranger.
Binnen was het koud. Op vier lange tafels, ruim verspreid, lagen 97 ingezonden boeken. Ze leken te wachten. Ik verbeeldde me dat 97 afzonderlijke stemmetjes in allerlei toonaarden naar onze aandacht dongen en besefte dat dit een bijzondere dag zou worden. Zeven boeken lagen op een andere tafel, door de organisatie onttrokken aan de voorselectie. Het terzijde gelegde stapeltje stuurde mijn gedachten naar de parameters van deze prijs: wat onderscheidde de bij voorbaat gediskwalificeerde boeken van de rest? Was zoiets in objectieve termen te gieten? Inwisselbaarheid, gebrek aan noodzaak, de afwezigheid van een risico—het zijn woorden die nauwelijks kunnen worden getoetst, ook al kan de verschijningsvorm van een boek ze pijnlijk tastbaar maken. Via een soort omgekeerde logica onderstreepten de boeken het bestaansrecht van een boekenprijs als deze.
Met Roger, de juryvoorzitter voor die dag, liep ik langs de eerste tafel. De boeken waren genummerd. Er was verder geen informatie bijgevoegd, noch over de auteurs, noch over de vormgevers of de aanleiding om het te maken. Ik vroeg Roger of het zinvol zou zijn om die informatie op te vragen. “Nee,” zei hij resoluut. “Het komt puur aan op het boek zelf.” Desondanks bleef ik me afvragen welke rol voorkennis had, voor zover zij ontbrak – de meeste boeken waren Franstalig en voor een Nederlander of Vlaming dus ontoegankelijker – en voor zover zij juist wèl meewoog: een vakkundig jurylid kent immers het werk van zijn collega’s.
Onderweg naar Brussel hadden Roger en ik het al over dergelijke ‘voor-voorwaarden’ gehad. Wat ons het meest verbaasde was het feit dat de prijs zich richtte op het Waalse boekenaanbod. Waarom geen Belgische boekenprijs? Je zou zeggen dat zoiets juist een gelegenheid is om het politieke schisma op te heffen. De Gentse graficus Jan Wouter Hespeel, een van de juryleden, vertelde ons later dat er al een Vlaamse tegenhanger bestaat van de Baudinprijs, de Plantin-Moretusprijs. Was er geen fusie mogelijk? Er was geen jurylid die het aannemelijk vond dat de “heren in Vlaanderen” daarvoor uit hun “ivoren toren” zouden komen. Gesteld dat een samensmelting überhaupt mogelijk was, zou het bovendien ten koste gaan van het meer experimentele karakter van de Baudinprijs, die pas sinds vorig jaar bestaat. Dan was er nog de geldfactor: de huidige sponsor is georiënteerd op het Franssprekende gedeelte van België. De beginselen van een Waalse boekenprijs leken daarmee diepgeworteld in de Belgische politieke situatie. Hoewel wij, de aanwezige Hollanders, nog niet geheel overtuigd waren lieten we de kwestie maar rusten.
De uren voor de lunch stonden in het teken van een schouwing op individuele basis. De zes juryleden liepen langs de boeken onder een drukkend stilzwijgen. Naast Roger Willems en Jan Wouter Hespeel waren twee Franse ontwerpers uitgenodigd, de stellige Jean-Marie Courant en de wat ingetogen David Poullard. Dan één vrouw, de Brusselse musicus en voormalig kunstboekhandelaar Drita Kotaji, en ten slotte de Nederlandse kunstenaar Willem Oorebeek, die ook betrokken is bij het residency program van Wiels.
Na de lunch werd de longlist samengesteld. Dat experiment een doorslaggevend criterium was, werd meteen duidelijk. Opvallend veel juryleden stopten even bij een bescheiden publicatie genaamd Sporen in het electr(on)ische veld, ontworpen door Pierre Huyghebaert en Femke Snelting (beide aangesloten bij Open Source Publishing). “Heb je gelezen dat het met open source programmatuur is gemaakt? Blijkbaar een enorm karwei. Ik voelde op een of andere manier al dat er iets mee was.” Een ander boek met veel nominaties was een enigmatisch kunstenaarsboek van HAP, Objects of vertu: Artist Instruments and Thingamajigs. De ontwerpers, Kasia Korczak en Boy Vereecken, waren bij de jury bekend. “We moeten kiezen uit hun inzendingen, niet alles is even sterk.”
Nadat alle werken met stembriefjes waren verzameld, verplaatsten we ons naar de vergaderkamer. Er volgde een sessie van een paar uur geconcentreerd gedebatteer. Een uitsnede uit de discussie over het boek met de meeste nominaties, het door Manuela Dechamps Otamendi vormgegeven 311 Methods:
“Iets klopt niet aan dit boek. Je krijgt niet meteen toegang tot de inhoud. Een boek moet zichzelf openen, het moet de lezer welkom heten.”
Een ander boog naar voren. “Dat is juist een kwaliteit. Het is onopgelost.”
Het omslag werd omgeslagen alsof het een folder met ongewenste reclame was.
“Moet je zien.”
“Die kaft is te slap,” gaf weer een ander toe, “maar dat is het enige. Het binnenwerk is haast een uurwerk. Het zit heel precies in elkaar.”
“Het is slim, maar niet erg open.”
“Dat past bij het onderwerp. De representatie van architectuur is even wiskundig. De katernen zijn een soort afgesloten bouwblokken.”
De eerste: “Precies. Daarom kan ik me niks van de inhoud herinneren.”
“Heb je daar dan wel goed naar gekeken?”
Er klonk verholen irritatie door, gevolgd door nerveus gelach.
“Het is gewoon erg goed gedaan,” zei de voorzitter ten slotte. “De opgenomen projecten worden precies en geconcentreerd getoond zonder het op te kloppen. Subtiel en genereus.”
Instemmend geknik.
“Volgende.”
Twee ontwerpbureaus vielen dubbel in de prijzen, maar hun werk gaf tegelijk aanleiding tot de vurigste twistgesprekken. Het werk van Korczak & Vereecken bevond zich kennelijk op een breukvlak. Een paar inzendingen werd als “over the top” beschouwd, terwijl andere als smaakvol werden gezien en als “hommages aan vernacular design” (stijlen in hun originele vorm, decennia terug). Eén jurylid speelde advocaat van de duivel en probeerde aan te tonen dat de ontwerpers in kwestie niet weten wat ze aan het doen zijn. Sommige ontwerpen vielen daardoor ronduit lelijk uit. Een ander bracht in dat het duo juist zeer zelfbewust is. De ontwerpen schoten soms hun doel voorbij door een overschot aan hipheid en anti-esthetiek. Het boekje over Anne Holtrops Trail House (gezien bij De Paviljoens) liet zien dat beheersing in zo’n geval beter is dan overschreeuwen. Om de ingetogenheid viel het in de prijzen.
Het andere ontwerpbureau was salutpublic van Pascale Onraet and Renaud Huberlant. Het viel op met enkele boeken in opdracht van verzamelingen. De voorliefde van de ontwerpers voor gekleurd papier werd als een signatuur beschouwd, maar in het licht van de royaliteit van de boeken werd het ook met enig wantrouwen bekeken: zat het geld, dat de cliënten klaarblijkelijk hebben, in zo’n publicatie niet op de verkeerde plek?
Experiment, bescheidenheid en precisie werden dus gehonoreerd. Opvallend was dat de boeken die wonnen juist feilbaar waren; alsof ze als voorbeeld konden dienen van elementaire discussies in de wereld van het boekontwerp. Pas na het beraad, toen iedereen terugzakte in zijn stoel, werd duidelijk dat een van de prijswinnaars al die tijd aan tafel had gezeten, maar zich in stilzwijgen had gehuld. Het is maar goed dat dit de objectiviteit van de jury niet heeft ondermijnd. Hetzelfde geldt voor het feit dat enkele prijswinnaars van vorig jaar, waaronder bovengenoemde ontwerpduo’s, dit jaar opnieuw tot de winnaars behoren.
Dat geeft te denken, wederom over de parameters van deze prijs. Zijn zulke ‘toevalligheden’ te danken aan de kwaliteit van de prijswinnaars, of is de Brussels-Waalse boekenscene te klein om een echt spannende concurrentie te garanderen? Hier past eenzelfde bescheidenheid en zelfkritiek als van de boekenmakers wordt verwacht. Juist in een tijd waarin het boek zelf zijn positie niet zeker is schuilt daarin wellicht de kracht van een relatief kleine boekenprijs als deze. Het biedt de gelegenheid tot een wezenlijke discussie, ook over de eigen voorwaarden, en dat is iets om te koesteren.






Leave a Reply